Voorstel tot nieuwe wetgeving dierenwelzijn in Nederland - deel 2

Vorige onderwerp Volgende onderwerp Go down

Voorstel tot nieuwe wetgeving dierenwelzijn in Nederland - deel 2

Bericht  van den broeck alfons op wo apr 06 2011, 08:06

Als u hierna de woorden "honden en/of katten" gaat terugvinden, dient u deze te vervangen door "siervogels", omdat, zoals reeds gezegd in deel 1, het ontwerp-KB betrekking heeft op alle gezelschapsdieren.

Er is in de onderstaande tekst een kleine sectie weggelaten, die zuiver betrekking heeft op de vaccinaties van honden en katten. Vaccinaties bij siervogels, de groep exoten, is zo goed als onbestaande. Bij kanaries en Europese vogels zou je eventueel kunnen praten over het pokkenvaccin Bij parkieten, papegaaien en hoenderachtigen zou je het belang van een vaccinatie tegen het paramyxovirus kunnen overwegen.

Hoofdstuk 3. De onderwerpen van het besluit nader toegelicht

3.1 Algemeen

In het besluit komen achtereenvolgens voorschriften over registratie, de administratie,
vakbekwaamheidseisen, huisvesting en verzorging, gezondheid, verkoop en fokken van dieren aan
de orde. Enkele voorschriften hebben betrekking op een specifieke activiteit, zoals het verkopen of
fokken, of op een specifieke diersoort, zoals verplichte inentingen voor hond en kat. Als het gaat
om voorschriften louter aangaande honden en katten, blijkt dat uit het voorschrift. Deze
uitzonderingen daargelaten, hebben voorschriften in dit besluit betrekking op alle activiteiten en
gezelschapdieren.


3.2 Registratie

In artikel 5 is bepaald dat het verrichten van bedoelde activiteiten slechts is toegestaan voor zover
die verricht worden in een bij de minister van Economische zaken, Landbouw en Innovatie
aangemelde inrichting (artikel 4). Een inrichting is een in artikel 1 gedefinieerd begrip, namelijk
een aan een locatie gebonden ruimte of ruimtes, die zijn bestemd voor het verrichten van de
activiteiten als bedoeld in dit besluit. Het gaat om vaste en permanente locaties. Gedacht kan
worden aan asiels, hondenpensions en verkooppunten. Als een organisatie meerdere locaties heeft,
moet elke locatie aangemeld worden bij de minister van Economische zaken, Landbouw en
Innovatie.
Houders van geregistreerde inrichtingen onder het HKB 1999 behoeven zich ingevolge het vijfde lid
van artikel 5 niet opnieuw onder dit besluit te laten registreren.


3.3 Administratie

In het belang van het toezicht op de naleving van dit besluit worden er administratieve eisen
gesteld aan alle inrichtingen (artikel 7). Elke inrichting dient in zijn administratie de gegevens van
de leverancier en, voor honden en katten, het bewijs van inenting op te nemen van
gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven. De gegevens over de leverancier en een kopie
van bewijzen van inentingen moeten 2 jaar in de inrichting worden bewaard. Voor zover dieren in
bewaring zijn genomen geldt de administratieplicht voor de gegevens van de leverancier niet,
omdat er geen sprake is van een leverancier.


3.4 Vakbekwaamheid

Net als in het HKB 1999 worden in dit besluit eisen gesteld aan de huisvesting en verzorging van
dieren die in inrichtingen verblijven (artikel 9). Adequate huisvesting en verzorging is vanuit
welzijnsoogpunt van groot belang.
Om een goede verzorging te waarborgen dient op de inrichting een beheerder werkzaam te zijn die
in het bezit is van een in het kader van dit besluit erkend bewijs van vakbekwaamheid (artikel Cool.


Bij ministeriële regeling zal worden vastgesteld welke kwalificaties een erkend bewijs van
vakbekwaamheid moet bevatten. Deze kwalificaties kunnen worden behaald bij een middelbaar
beroepsonderwijsinstelling erkend door het centraal register beroepsopleidingen (Crebo). Een
bewijs van vakbekwaamheid is erkend, indien uit het bewijs van vakbekwaamheid blijkt dat de bij
ministeriële regeling vastgestelde kwalificaties zijn behaald.

3.5 Huisvesting en verzorging

De regels omtrent huisvesting en verzorging, vervat in de artikelen 9 tot en met 11, zijn als
doelvoorschrift geformuleerd. Zij geven daarbij de houder van de inrichting goede mogelijkheid zelf
keuzes te maken omtrent de wijze van huisvesting en verzorging.
Hierbij is leidend uitgangspunt dat het welzijn van dieren en hun gezondheid permanent voldoende
is gewaarborgd. De in artikel 9 genoemde punten beogen alle het uit dat oogpunt verzekerd niveau
te bereiken. Voor alle dieren geldt de algemene bepaling dat de ruimte waarin zij in de inrichting
gehouden worden geschikt dient te zijn.


Niet ondenkbaar is dat de betreffende onderdelen door verschillende houders van dieren
verschillend worden geïnterpreteerd. In het kader van het toezicht zal er ten minste op worden
toegezien dat minimumnormen, zoals die golden onder het HKB 1999 worden gehanteerd bij de
inrichting van leefruimtes ten aanzien van de beschikbare vloeroppervlakte. In het bijzonder zijn
dan van belang de afmetingen van verblijven voor honden en katten.
Voorts zullen ten behoeve van de naleving handhavings- en beleidsrichtsnoeren worden opgesteld
door het ministerie van EL&I. Daarbij kunnen tevens de criteria worden benut die tot dusver in het
kader van het ontwikkelen van certificatiestelsels aan de orde zijn geweest. Het blijft echter
mogelijk om certificatiestelsels te ontwikkelen.


3.6 Gezondheid

Ter waarborging van de gezondheid van de gezelschapsdieren en ter voorkoming van uitbraken
van besmettelijke ziekten in inrichtingen, worden eisen gesteld aan de faciliteiten waarover de
inrichting dient te beschikken (artikel 10 en 11), de wijze waarop met zieke en mogelijk zieke
dieren moet worden omgegaan en de wijze waarop een uitbraak van besmettelijke ziekten in de
inrichting dient te worden voorkomen (artikel 12). Voor honden en katten is het voor hun
gezondheid en ter voorkoming van de uitbraak van besmettelijke ziekten noodzakelijk nadere eisen
te stellen over inentingen (artikel 13).
Het gaat hierbij om het hebben of kunnen inrichten van quarantaine ruimtes. Veelal zal de
dierenarts de aangewezen persoon zijn om te beoordelen of zieke dieren of dieren die een mogelijk
risico vormen voor de gezondheid van andere dieren, in zodanige ruimtes dienen te worden
geplaatst.
Voor de huisvesting van gewonde of zieke dieren die niet in de quarantaine ruimte gehuisvest
hoeven te worden, dient een inrichting te beschikken over een ruimte die, indien nodig, voor de
huisvesting van deze dieren bestemd kan worden. Bij de inrichting van deze ruimte dient rekening
te worden gehouden met de voor herstel van het dier noodzakelijke rust.
In het belang van de gezondheid van de dieren die in de inrichting verblijven is dagelijkse controle
van de dieren wenselijk. Daartoe dient de inrichting ingevolge artikel 12, eerste lid, een protocol
vast te stellen.


3.7 Handel

In het belang van het welzijn en de gezondheid van verkochte of afgeleverde gezelschapsdieren
worden eisen gesteld aan de informatie die bij verkoop of afleveren verstrekt dient te worden
(artikel 15 en 16) en de wijze waarop een dier wordt verpakt, indien daar sprake van is (artikel
18).
Deze bepaling in hoofdstuk 8 van het besluit beogen het verantwoord bezit van gezelschapsdieren
te bevorderen. Vooral impulsaankopen en aankopen van dieren die veel eisen stellen aan
huisvesting en verzorging dienen te worden voorkomen. Hierop is mede gericht het verbod,
bedoeld in artikel 19, op het houden en tentoonstellen van gezelschapdieren in etalages van een
handelsruimte.
Ook het verbod op het verkopen van gezelschapdieren aan personen jonger dan 16 is hierop
gericht. Het bedoelde verkoopverbod is opgenomen ter uitvoering van de Overeenkomst ter
bescherming van kleine huisdieren.


3.8 Fokken en socialisatie

Ter voorkoming van nadelige gezondheids- of welzijnseffecten voor nakomelingen en ouderdieren
als gevolg van de wijze waarop gefokt wordt, zijn in hoofdstuk 9 voorschriften opgenomen waar bij
het gericht fokken met gezelschapdieren rekening mee dient te worden gehouden (artikel 20).
Uitgangspunt van de regeling is dat het fokken van dieren op verantwoorde wijze geschiedt. Dit
ziet ook op ouderdieren, die als gevolg van de fokkerij in beginsel geen schade aan welzijn of
gezondheid dienen te krijgen. Fokkerij mag niet leiden tot uitputting van moederdieren en ook niet
tot blijvende of permanente schade aan gezondheid of welzijn. Het is niet toegestaan gericht te
fokken met dieren die gebreken of afwijkingen hebben of kunnen krijgen die hun welzijn of
gezondheid schade of die ernstige gedragsproblemen bij de dieren kunnen veroorzaken. Ook moet
bij het fokken worden voorkomen dat uiterlijke kenmerken worden doorgegeven aan of kunnen
ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hebben voor welzijn of gezondheid van dat
dier.
Primair wordt in artikel 20 de fokker aangesproken, omdat het van belang is dat consumenten niet
worden verleid op welke wijze dan ook tot de aankoop van dieren die als gevolg van fokkerij
gebreken aan gezondheid en welzijn ondervinden. Ook hebben consumenten een eigen
verantwoordelijkheid om zich bij de aanschaf van een dier niet louter te laten leiden door uiterlijk,
modegrillen en impulsen.
De intrinsieke waarde van het dier die ten grondslag ligt aan de Gezondheids-en welzijnswet voor
dieren en die een wettelijke verankering krijgt in de hiervoor genoemde Wet dieren noopt mede tot
het stellen van regels ter zake fokkerij die de mogelijkheid bieden te kunnen op treden tegen
misstanden in dat kader.


Behalve regels inzake de fokkerij als zodanig is ook van belang de zorg die aan jonge dieren wordt
verleend met het oog op hun latere gedrag. Daartoe is in artikel 21 een bepaling opgenomen.
Gedurende de periode dat jonge gezelschapsdieren in een inrichting verblijven, dient zorg te
worden gedragen voor hun socialisatie. Socialisatie van gezelschapdieren is van belang voor het
welzijn van deze dieren en ter voorkoming van overlast voor de toekomstige leefomgeving van het
betreffende dier. Dit artikel betreft vooral honden en katten die zeker baat hebben bij tijdige
training van het gedrag. Een goed socialisatieproces is in het belang van het welzijn van honden en
katten. Het voorkomt ook in belangrijke mate dat dieren op een later moment onaangepast gedrag
vertonen of bijvoorbeeld zelfs agressief gedrag vertonen. Niet alle dieren die als gezelschapsdier
worden gehouden zijn ontvankelijk voor socialisatie. Ook kan socialisatie, afhankelijk van de soort,
weinig effect op hun gedrag hebben en bij sommige diersoorten zelfs minder wenselijk zijn. De in
dit artikel opgenomen verplichting dient in dit licht te worden opgevat.


Einde deel 2.

Vragen ? U stelt ze maar.

Copyright 2011

van den broeck alfons

Aantal berichten : 349
Join date : 02-07-10
Woonplaats : Geel

Terug naar boven Go down

Vorige onderwerp Volgende onderwerp Terug naar boven

- Soortgelijke onderwerpen

 
Permissies van dit forum:
Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum